Kort antwoord
Volwassen paarden ontworm je tegenwoordig selectief: alleen als mestonderzoek laat zien dat ze veel wormeieren uitscheiden. Dat voorkomt onnodige behandelingen en remt resistentie van wormen tegen wormmiddelen. Voor veulens en jonge paarden geldt een eigen aanpak, die je met je dierenarts afstemt.
- Grens voor behandelen
- Meestal vanaf 200 eieren per gram mest
- Mestonderzoek volwassen paard
- 2 tot 3 keer per weideseizoen
- Paarden met hoge uitscheiding
- Ongeveer een derde van de volwassen paarden
- Mest ruimen in de wei
- 1 keer per week (voorjaar) tot 2 keer (zomer)
Hoe ontworm je een paard tegenwoordig?
Volwassen paarden ontworm je niet meer op vaste momenten, maar alleen als mestonderzoek laat zien dat het nodig is. Dat heet selectief ontwormen. Lang was het gebruikelijk om alle paarden minstens vier keer per jaar een wormkuur te geven, soms zelfs elke acht weken. Die aanpak geldt als achterhaald, zo staat in de Leidraad Paard en Parasieten, die in 2024 verscheen in het veterinaire vakblad Dier en Arts.
De reden is biologisch. Slechts ongeveer een derde van de volwassen paarden scheidt zoveel wormeieren uit dat behandelen zinvol is. De rest heeft een lage uitscheiding en draagt weinig bij aan de besmetting van de wei. Geef je die paarden toch een kuur, dan behandel je voor niets en help je bovendien de wormen die wél tegen het middel kunnen. Daarnaast volgt de eiuitscheiding een seizoenspatroon en ontwikkelen larven zich vooral in bepaalde periodes op het weiland. Gericht meten werkt dus beter dan blind behandelen.
Selectief ontwormen rust op drie pijlers: regelmatig mestonderzoek, alleen de paarden met een hoge eiuitscheiding behandelen, en een wei die zo schoon mogelijk blijft. Welk middel en welk moment bij jouw paard passen, bepaal je samen met je dierenarts.
Mestonderzoek: zo werkt een eitelling
Bij een mestonderzoek telt het laboratorium het aantal wormeieren per gram mest. Die uitkomst heet de EPG (eggs per gram). Bij volwassen paarden is een EPG van 200 of hoger de gangbare grens waarboven behandelen wordt overwogen. Ligt de telling lager, dan is een kuur meestal niet nodig.
De Leidraad adviseert om in het eerste jaar drie keer per weideseizoen mest te laten onderzoeken:
- Voorjaar: ongeveer twee weken voordat je paard naar buiten gaat, of vanaf maart als het al op de wei staat.
- Zomer: bijvoorbeeld in juni.
- Najaar: in september.
Scheidt een volwassen paard bij minstens drie onderzoeken in het eerste jaar weinig of geen eieren uit, dan kan de frequentie daarna omlaag. De eiuitscheiding van een individueel volwassen paard blijkt namelijk vrij stabiel. Op grotere stallen kan de dierenarts werken met poolmonsters van maximaal tien paarden, die bij een positieve uitslag verder worden uitgesplitst.
Een eitelling heeft ook grenzen. Ze zegt weinig over larven die zich in de darmwand hebben ingekapseld, en lintworm spoor je er niet betrouwbaar mee op. Voor lintworm bestaat een speekseltest. Je dierenarts weet welke combinatie van onderzoeken bij jouw situatie past.
Welke wormen komen bij paarden voor?
Paarden kunnen verschillende soorten wormen hebben. Op hoofdlijnen zijn dit de groepen waar je mee te maken krijgt:
- Kleine strongyliden: de meest voorkomende groep. In principe raken alle grazende paarden ermee besmet. Larven kunnen zich in de darmwand inkapselen en daar maandenlang in rust blijven. Komen ze in grote aantallen tegelijk vrij, vaak in de late herfst, winter of het vroege voorjaar, dan kan een paard ernstig ziek worden met diarree en koorts.
- Grote strongyliden: vroeger gevreesd, maar in Nederland tegenwoordig vrijwel alleen nog incidenteel gevonden bij paarden die extensief of halfwild leven en bij importpaarden.
- Spoelwormen: vooral een probleem bij veulens en jaarlingen. Paarden ouder dan een jaar hebben grotendeels weerstand opgebouwd. De eieren zijn erg taai en kunnen tot tien jaar in weilanden, paddocks en stallen overleven.
- Lintwormen: paarden raken besmet via kleine mosmijten die ze met het gras opeten. Tegen lintworm bouwen paarden geen weerstand op, dus alle leeftijden kunnen ze hebben.
- Aarsmaden: geven jeuk rond de anus, waardoor een paard vaak met zijn staart tegen hekken of muren schuurt.
Welke wormen op jouw stal een rol spelen, hangt af van de leeftijd van de paarden, hoe vaak er nieuwe paarden bijkomen en hoe de weides worden gebruikt. Een wormbeheerplan voor een manege met vooral volwassen paarden ziet er daarom anders uit dan voor een opfokbedrijf met veel jonge dieren.
Resistentie: waarom minder vaak ontwormen beter werkt
Elke wormkuur doodt de gevoelige wormen, maar soms overleeft een klein deel. Die overlevers planten zich voort en geven hun ongevoeligheid door. Hoe vaker je behandelt, hoe sneller zo'n resistente populatie ontstaat. Dat is geen theorie: volgens de Leidraad is op 80 tot 90 procent van de Nederlandse bedrijven resistentie van kleine strongyliden vastgesteld tegen benzimidazolen, een van de drie groepen wormmiddelen. Ook bij spoelwormen en lintwormen is resistentie beschreven.
Voor paarden zijn maar drie groepen middelen tegen rondwormen beschikbaar. Verliest een groep zijn werking, dan blijft er dus weinig over. Selectief ontwormen remt dat proces op twee manieren. Je gebruikt minder middelen, en de wormen in onbehandelde paarden met een lage uitscheiding blijven gevoelig. Die gevoelige wormen houden als het ware de resistente populatie op de wei in toom. Dierenartsen noemen dat een refugium. Een lage uitscheiding helpt een paard bovendien om weerstand op te bouwen.
Werkt een middel op jouw stal nog wel? Dat kan je dierenarts controleren met een eireductietest: mest onderzoeken voor en na een behandeling en kijken hoeveel de eitelling daalt. De Leidraad adviseert zo'n test eens per twee jaar. Er speelt nog iets mee: wormmiddelen komen via de mest in de bodem en kunnen het bodemleven en de waterkwaliteit beïnvloeden. Ook daarom is gericht gebruik verstandig.
Weidemanagement: mest ruimen werkt echt
Wormeieren komen met de mest op het weiland. Bij warm en vochtig weer ontwikkelen ze zich binnen ongeveer een week tot besmettelijke larven, die met het gras weer worden opgegeten. In de zomer kan de besmetting van een wei daardoor snel oplopen. Hoe minder mest er blijft liggen, hoe minder larven je paard binnenkrijgt. De Leidraad noemt onder meer deze maatregelen:
- Ruim de mest van het weiland minstens één keer per week in het voorjaar en twee keer per week in de zomer. Mest boxen dagelijks uit.
- Voorkom overbeweiding. Bij voldoende gras laten paarden de plekken rond de mesthopen staan; is er te weinig gras, dan grazen ze juist daar.
- Maai de wei regelmatig af, bijvoorbeeld om te hooien.
- Laat eventueel runderen of schapen meegrazen. Zij nemen paardenwormlarven op zonder dat er nieuwe besmettelijke larven voor paarden ontstaan.
- Strooi paardenmest alleen uit als die volledig is gecomposteerd, en nooit mest van veulens of jaarlingen op weides voor paarden.
- Voer bij vanaf een verhoging in plaats van van de grond, zodat het voer minder met mest en zand in aanraking komt.
Komt er een nieuw paard op stal? Dan geldt een uitzondering op selectief ontwormen. Volgens de Leidraad Paard en Parasieten wordt een nieuwkomer eerst ontwormd met een middel dat werkt, het liefst nog op de oude stal. Daarna staat het minstens 14 dagen niet op de wei, maar op stal of in een paddock waar je de mest dagelijks weghaalt. Pas als een mestonderzoek aan het eind van die periode geen noemenswaardige uitscheiding laat zien, gaat het bij de groep. Zo voorkom je dat het resistente wormen meeneemt. Welk middel het wordt, bepaal je met je dierenarts.
Veulens en jonge paarden: altijd in overleg
Voor veulens, jaarlingen en paarden tot een jaar of drie werkt het anders dan bij volwassen paarden. Hun weerstand tegen wormen is nog in opbouw, waardoor ze sneller klachten krijgen. Vooral spoelwormen kunnen bij veulens problemen geven, van hoesten tot koliek door een verstopping met grote aantallen wormen.
Een standaardschema voor veulens bestaat niet, omdat de juiste aanpak sterk afhangt van het bedrijf. De belangrijkste pijler is voorkomen dat jonge paarden grote aantallen parasieten binnenkrijgen. Denk aan de schoonste weides voor veulens en jaarlingen, bij voorkeur percelen waar het jaar ervoor geen jonge paarden liepen, en vaak mest ruimen. Bij jonge paarden wordt vaker mestonderzoek gedaan dan bij volwassen paarden, soms maandelijks, en soms kiest de dierenarts bewust voor een vast behandelplan.
Ook de keuze van het middel en het moment is bij veulens specialistisch werk. Zo heeft een test op spoelwormeieren pas zin vanaf ongeveer negen tot zestien weken na een mogelijke besmetting, en kan een zware besmetting juist rond de behandeling tot complicaties leiden. Maak daarom voor elk veulen en jong paard een plan met je dierenarts, en geef niet op de gok zelf een kuur.
