Kort antwoord
Paarden zijn kuddedieren en prooidieren: ze voelen zich veilig in een groep en vluchten bij gevaar. Ze communiceren vooral met lichaamstaal, zoals de stand van de oren, de ogen, de staart en de spanning in het lichaam. Verandert dat gedrag, dan kan dat wijzen op stress of pijn; en paarden leren het best van duidelijke, goed getimede beloning.
- In de natuur in beweging
- zo'n 16 uur per dag
- Diepe slaap (REM)
- alleen liggend, telkens 20 tot 30 minuten
- Basisbehoeften
- vrijheid, voeding en vrienden
Het paard als kuddedier en prooidier
Wie een paard wil begrijpen, begint bij zijn natuur. Paarden zijn prooidieren, en hun eerste reactie op gevaar is vluchten. Kan een paard niet weg, dan kan het zich gaan verweren. Daarom schrikt een paard van een plastic zak die plots beweegt, en daarom kan een paard dat zich klem voelt zitten in paniek raken.
Veiligheid vindt een paard in de groep. Binnen een kudde ontstaat een rangorde, maar ook vriendschap: paarden met een voorkeur voor elkaar staan vaak samen en verzorgen elkaar door aan manen en schoft te knabbelen. Dat onderlinge verzorgen werkt stressverlagend. De Gids voor Goede Praktijken van de Sectorraad Paarden noemt sociaal contact daarom een primaire behoefte en het langdurig houden van één paard onwenselijk.
Ook de zintuigen passen bij een prooidier. De ogen staan aan de zijkant van het hoofd, waardoor een paard veel om zich heen ziet, maar recht achter zich en vlak onder zijn hoofd niet goed. Kom daarom van opzij op een paard af en praat tegen hem, zodat hij je hoort aankomen. Gehoor en reuk zijn goed ontwikkeld.
Rusten doet een paard staand én liggend. Doezelen kan staand, maar de diepe slaap (REM-slaap) haalt een paard alleen als het plat op zijn zij ligt. Die duurt telkens maar 20 tot 30 minuten, maar is onmisbaar voor de gezondheid. Een paard dat geen veilige, droge en ruime plek heeft om te gaan liggen, krijgt daardoor mogelijk te weinig diepe slaap.
Lichaamstaal: oren, ogen, staart en houding
Paarden communiceren grotendeels zonder geluid. Een kleine verandering in de stand van de oren of de spanning in een spier is voor een ander paard al een duidelijk signaal. Kijk daarom naar het geheel, niet naar één lichaamsdeel, en let op de situatie.
- Oren. Een paard richt zijn oren op wat zijn aandacht heeft. Oren naar voren wijzen op interesse. Draait er tijdens het rijden een oor naar jou, dan is het paard met je bezig. Oren plat naar achteren zijn een waarschuwing: het paard is boos of bang, of heeft pijn.
- Ogen. Een zacht, rustig oog hoort bij ontspanning. Veel oogwit kan wijzen op angst of boosheid; dichtgeknepen ogen met spanning erboven kunnen op pijn wijzen.
- Neus en mond. Rustige neusgaten en een ontspannen mond horen bij een paard dat zich prettig voelt. Verwijde neusgaten, gespannen kauwspieren en een strakke mond horen bij spanning of ongemak.
- Staart. Een beetje zwiepen verjaagt vliegen. Hard en herhaald zwiepen kan wijzen op irritatie, pijn of boosheid.
- Houding. Een paard dat doezelt, laat zijn hoofd wat zakken. Staat een paard lang met hangend hoofd in een hoek van de box en reageert het weinig op zijn omgeving, dan kan dat juist op pijn of ziekte wijzen.
Hoe beter je de normale lichaamstaal van jouw paard kent, hoe sneller je ziet dat er iets verandert.
Stress- en pijnsignalen herkennen
Paarden zijn als prooidieren meesters in het verbergen van pijn. Specialisten van de Universiteit Utrecht, die jarenlang onderzoek deden naar pijnherkenning, benadrukken daarom dat eigenaren juist de subtiele signalen moeten leren lezen. Op basis van dat onderzoek ontwikkelden zij pijnschalen en de app EPWA, waarmee je pijn kunt inschatten aan de hand van het gezicht en de lichaamstaal.
Mogelijke pijnsignalen in het gezicht zijn oren die stijf naar achteren staan, dichtgeknepen ogen, spanning boven het oog, gespannen kauwspieren, verwijde neusgaten en een gespannen mond. In het gedrag kun je letten op:
- minder bewegen, of juist rusteloos zijn;
- het hoofd laten hangen of in een hoek van de box staan;
- een stijve lichaamshouding;
- rollen, schoppen of steeds naar de buik kijken, wat kan wijzen op koliek;
- door de rug zakken als het zadel wordt opgelegd, of moeite met achteruitgaan, wat kan wijzen op rugpijn;
- een paard dat ineens anders reageert dan je gewend bent, bijvoorbeeld afweert, bokt of zich afsluit.
Stress is niet altijd slecht. Een zekere mate van spanning hoort bij het leven en kan zelfs stimulerend zijn. Het wordt een probleem als stress lang aanhoudt of te heftig is. Dan zie je bijvoorbeeld agressie, angst, apathie (nergens meer op reageren) of stereotiep gedrag.
Stereotiep gedrag en welzijn
Stereotiep gedrag bestaat uit steeds herhaalde, korte bewegingen. Bekende voorbeelden zijn:
- Kribbebijten: het paard zet zijn tanden op een rand, zoals de voerbak of de boxdeur.
- Luchtzuigen: het paard zuigt lucht naar binnen, soms in combinatie met kribbebijten.
- Weven: het paard zwaait ritmisch met hoofd en hals heen en weer, vaak bij de boxdeur.
- Boxlopen: steeds rondjes lopen in de box.
In de volksmond heten deze gedragingen 'stalondeugden', maar volgens de Gids voor Goede Praktijken is dat onterecht. Het paard doet het niet om je te pesten. De belangrijkste oorzaak is chronische stress doordat het paard lange tijd zijn natuurlijke gedrag niet of onvoldoende kan uitvoeren: te weinig sociaal contact, te weinig ruwvoer verspreid over de dag en te weinig vrije beweging. Ook verveling of een buurpaard waarmee het niet klikt, kan meespelen. Het gedrag geeft het paard tijdelijk wat verlichting, en daardoor kan het een gewoonte worden die blijft, ook als de omstandigheden verbeteren.
Stereotiep gedrag heeft ook lichamelijke gevolgen: luchtzuigen wordt in verband gebracht met maagzweren en gaskoliek, en kribbebijten kan ernstige gebitsafwijkingen veroorzaken. Toch helpt straffen niet, en de gids raadt ook af om het gedrag fysiek te beperken, bijvoorbeeld met een luchtzuigband. Pak de oorzaak aan: meer vrije beweging, meer ruwvoer verspreid over de dag (bijvoorbeeld met een slowfeeder of hooinet) en meer contact met andere paarden. Een dierenarts kan beoordelen wat er speelt en welke aanpassingen nodig zijn.
Hoe paarden leren
Paarden leren vooral van de gevolgen van hun gedrag. Gedrag dat iets prettigs oplevert of iets vervelends laat ophouden, gaat een paard vaker vertonen. Dat heet bekrachtiging.
- Negatieve bekrachtiging betekent dat er iets wordt weggenomen. Veel rijhulpen werken zo: je geeft lichte druk met been of teugel en haalt die weg op het moment dat het paard goed reageert. Het wegnemen van de druk is de beloning. Timing is daarbij alles: laat je te laat los, dan beloon je iets anders dan je bedoelde.
- Positieve bekrachtiging betekent dat er iets prettigs bij komt, zoals een krabbel op de schoft of een stukje voer. Zeker bij iets nieuws of spannends kan dat het leren makkelijker maken.
De International Society for Equitation Science (ISES), een internationale vereniging die zich bezighoudt met de wetenschap achter rijden en trainen, heeft trainingsprincipes opgesteld die hierop voortbouwen. Enkele daarvan: houd sessies kort, deel een oefening op in de kleinst mogelijke stapjes, geef elk signaal één betekenis, gebruik nooit twee signalen tegelijk en blijf niet zeuren met been of teugel. Train zonder pijn en zonder het paard in de vluchtstand te brengen.
Straffen werkt meestal averechts. Een zweep die te laat of te hard wordt gebruikt, verbindt het paard niet met wat je vroeg, en straf kan een paard nodeloos bang maken. Wil je werken aan de basis van jullie communicatie, dan is grondwerk een goed begin.
Wanneer schakel je hulp in?
Verandert het gedrag van je paard, sluit dan eerst pijn en ziekte uit. Een paard dat ineens niet meer wil springen, afweert bij het aansingelen of onrustig is in de box, kan ergens last van hebben. Schakel daarom eerst je dierenarts in, en laat ook het gebit, de hoeven en de pasvorm van het zadel controleren.
Is een lichamelijke oorzaak uitgesloten, dan kan een deskundige op het gebied van paardengedrag helpen. Let bij je keuze op opleiding en werkwijze: een goede gedragsdeskundige kijkt naar de hele leefomgeving (huisvesting, voer, sociaal contact en training), werkt zonder dwang of straf en overlegt waar nodig met je dierenarts.
Veel gedragsproblemen worden kleiner als de basis klopt. Kijk dus eerst naar vrijheid, voeding en vrienden, en lees meer over goede huisvesting en voeding.
