Kort antwoord
Veilig paardrijden begint met een goedgekeurde cap bij elke rit, schoeisel met een hak dat niet door de beugel schuift en een paard dat bij je niveau past. Op de openbare weg ben je een bestuurder: je gebruikt het ruiterpad als dat er is en voert in het donker een lamp mee die voor wit of geel en achter rood licht geeft.
- Cap
- Bij elke rit, vervangen na een val
- Bodyprotector
- Norm EN 13158:2018, niveau 3
- Op de weg
- Ruiterpad gebruiken als het er is
- In het donker
- Lamp: wit of geel voor, rood achter
Wat maakt paardrijden veilig?
Veilig paardrijden rust op drie pijlers: goede beschermende uitrusting, een paard dat past bij je niveau en voorspelbaar gedrag, in de rijbaan en op de weg. Paarden zijn vluchtdieren. Schrikken ze, dan is hun eerste reactie wegspringen of wegrennen, ook als ze normaal heel rustig zijn. Dat kun je nooit helemaal uitsluiten, maar je kunt er wel voor zorgen dat de gevolgen zo klein mogelijk blijven.
Draag daarom altijd een goedgekeurde cap, ook bij een korte rit of als je alleen even stapt. Kies schoeisel dat niet door de beugel kan schuiven, laat iemand weten waar je bent als je alleen naar buiten gaat en laat een paard eerst vanaf de grond wennen aan nieuwe dingen voordat je er zelf op zit.
De cap: norm, pasvorm en vervangen
Een cap is de belangrijkste bescherming die je als ruiter hebt. Op accommodaties met het Veiligheidscertificaat van de Stichting Veilige Paardensport en op KNHS-wedstrijden is een goedgekeurde cap verplicht voor iedereen die te paard zit. De KNHS eist een cap die voldoet aan de veiligheidsnorm die voor de paardensport geldt.
Kijk bij aanschaf naar het label. Caps die tot eind 2014 zijn gemaakt, moesten voldoen aan EN 1384:2012. Daarna kwam de strengere tijdelijke norm VG1 01.040 2014-12, en sinds eind 2023 bestaat de nieuwe norm EN 1384:2023, met hogere eisen aan onder meer schokdemping, zijdelingse stevigheid en het bevestigingssysteem.
Een cap moet stevig en recht op je hoofd staan zonder te knellen, met de rand ongeveer twee vingerbreedtes boven je wenkbrauwen. Schuift hij als je je hoofd schudt of zakt hij over je ogen, dan is hij te groot. Na een val vervang je je cap, ook als je niets ziet: er kan onzichtbare schade zijn. Fabrikanten adviseren daarnaast om ongeveer elke vijf jaar een nieuwe cap te nemen.
Bodyprotector: wanneer en welk niveau?
Een bodyprotector is een beschermend vest van schokabsorberend schuim dat je romp en rug beschermt bij een val of een trap. Vooral bij het springen, in de cross bij eventing, bij buitenritten en met jonge of onervaren paarden is hij een verstandige keuze. Op KNHS-dressuurwedstrijden mag je er gewoon mee rijden, boven of onder je wedstrijdtenue, en daar is ook een opblaasbaar vest toegestaan dat aan het zadel wordt bevestigd.
Let op de Europese norm EN 13158:2018. Die kent drie niveaus. Niveau 1 is alleen bedoeld voor jockeys met een licentie en niveau 2 voor situaties met heel weinig risico. Voor gewoon rijden, springen en buitenritten is niveau 3 de juiste keuze. Voor eventing kunnen aanvullende eisen gelden; kijk daarvoor in het reglement van de wedstrijd.
Een bodyprotector werkt alleen goed als hij past: aansluitend, zonder dat je beweging wordt belemmerd, en niet zo lang dat hij in het zadel stoot. Laat je bij de eerste aanschaf adviseren en lees meer in onze keuzegids bodyprotectors.
Stijgbeugels en schoeisel
Een van de gevaarlijkste situaties bij een val is dat je voet in de beugel blijft hangen en je wordt meegesleurd. Het wedstrijdreglement van de KNHS eist daarom dat de combinatie van beugel en laars zo is dat je voet in geval van nood ongehinderd uit de beugel kan. Dat is ook buiten wedstrijden een goede maatstaf.
- Schoeisel met een hak. Een kleine, duidelijke hak voorkomt dat je voet door de beugel schiet. Rijlaarzen, jodhpurschoenen of stevige schoenen met hak zijn geschikt, gympen niet.
- Een zool zonder grof, diep profiel, zodat je voet niet in de beugel klemt.
- De juiste beugelmaat. Aan weerszijden van je schoen hoort een beetje ruimte te zitten. Te krappe beugels klemmen, te ruime laten je voet erdoor glijden.
- Veiligheidsbeugels hebben een open kant, een elastiek of een scharnier dat je voet vrijgeeft bij een val. Vooral voor kinderen en beginners zijn ze een aanrader.
- Open veiligheidsstaven. De haakjes aan het zadel waaraan de beugelriemen hangen, horen open te staan, zodat de beugelriem bij een val kan losschieten.
Meer over geschikte laarzen lees je bij rijlaarzen kiezen.
Rijden op de openbare weg en in het donker
Volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ben je als ruiter een bestuurder, net als een fietser of automobilist. Een paar regels gelden specifiek voor jou:
- Ruiterpad eerst. Is er een ruiterpad, dan gebruik je dat. Ontbreekt het, dan rijd je in de berm of op de rijbaan (artikel 8).
- Niet op het fietspad of trottoir. Daar hoort een paard niet thuis.
- Rechts houden en richting aangeven. Houd zo veel mogelijk rechts en geef met je arm duidelijk aan welke kant je op gaat.
- Liever achter elkaar. De SRR-lesstof voor het Ruiterbewijs adviseert op de rijbaan achter elkaar te rijden, tenzij naast elkaar rijden veiliger is, bijvoorbeeld naast een jong of onzeker paard, en je het overige verkeer niet hindert.
- Verlichting. Bij nacht, en overdag als het zicht ernstig wordt belemmerd, moet je een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht geeft (artikel 36). Dat geldt ook als je een paard aan de hand leidt.
Die lamp is het wettelijke minimum. In de praktijk helpt extra zichtbaarheid veel: een fluorescerend hesje met reflectie, reflecterende beenbeschermers voor je paard en een reflecterende band om je cap. Een donker paard valt in de schemering pas laat op. Vermijd drukke wegen en schemer als het kan, en laat een ervaren paard voorop lopen als je met een jong paard het verkeer in gaat.
Veilig omgaan met je paard vanaf de grond
Ook naast het paard kan het misgaan: bij het poetsen, leiden of in de wei. Deze gewoonten verkleinen het risico:
- Benader een paard schuin van voren en praat, zodat het je ziet en hoort aankomen. Recht achter zich ziet een paard je niet.
- Loop niet onaangekondigd vlak achter een paard langs. Leg een hand op zijn romp en houd contact als je omloopt.
- Leid je paard aan een halster en touw, loop naast de schouder en wikkel het touw nooit om je hand.
- Draag stevige schoenen in de stal en de wei, en een cap als je met een jong of gespannen paard aan de hand werkt.
- Zet je paard vast met een knoop die snel los kan, zodat je het bij paniek direct kunt losmaken.
Wil je hier gericht aan werken, dan is grondwerk een goede aanvulling op het rijden. En wie meer wil weten over waarom paarden schrikken, leest verder bij gedrag van paarden.
Wat doe je na een val?
Blijf na een val eerst even liggen en voel wat er pijn doet. Heb je pijn in je nek of rug, voel je tintelingen of kun je je armen of benen niet goed bewegen, blijf dan liggen en laat iemand 112 bellen. Doe dat ook als iemand na een val bewusteloos is geweest, verward reageert of steeds hetzelfde vraagt.
Voel je je goed, sta dan rustig op en neem de tijd. Na een klap op je hoofd stap je die dag niet meer op, ook als je je goed voelt: klachten als hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid of wazig zien kunnen later opkomen. Neem bij zulke klachten contact op met je huisarts, en zorg dat er iemand in de buurt is die weet dat je bent gevallen.
Vervang je cap na een val op je hoofd en laat je bodyprotector nakijken als je er hard op bent terechtgekomen. Kijk ook naar je paard: controleer benen, zadel en hoofdstel voordat je verder gaat. Op maneges met het Veiligheidscertificaat worden ongevallen geregistreerd, dus meld een val altijd bij de instructeur.
